Werken met paraffinewax
Eigenschappen van paraffinewax
De belangrijkste verschillen tussen plantaardige en paraffinewaxen hebben we al in een ander blogartikel behandeld. Maar even samengevat: dit zijn enkele eigenschappen van paraffinewaxen.
Paraffinewaxen:
- Hoger smeltpunt en werktemperatuur 60-70 °C.
- Hebben geen last van polymorfisme.
- Krimpen bij afkoelen, waardoor er kuiltjes op te vullen blijven.
- Mooie koude en warme geurafgifte bij een lagere geurconcentratie.
- Lage hechting aan glas.
Lees hier meer over de verschillende soorten kaarsenwax
Lonten kiezen
Lonten kiezen voor paraffinekaarsen is iets moeilijker dan lonten kiezen voor kaarsen van plantaardige wax.
Paraffinekaarsen zijn minder vergevingsgezind en geven roet af als de lont niet goed is gekozen.
Lees hier meer over de juiste lont kiezen
Om de meest geschikte lont te kiezen, begin je met de Candle Shack-recepten hieronder. Dit zijn de lontfamilies die wij het meest geschikt vinden voor paraffinewaxen.
Lonten uit de LX-familie
Lonten uit de TG-familie
Lonten uit de PGS-familie
TEKENEN DAT JE DE JUISTE LONT VOOR JE KAARS HEBT GEKOZEN:
• Weinig tot geen flakkeren van de vlam(men)
• Een volledige (of bijna volledige) smeltplas van niet dieper dan 5 mm na 4 uur branden.
• Een schoon brandende lont met weinig tot geen mushrooming en geen roet.
• Een aangenaam aroma dat de kamer vult, zonder chemische of 'hete' brandlucht.
Heb je eerder kaarsen van plantaardige wax gemaakt, dan ken je een deel van de uitdagingen die daarbij horen. Problemen als barsten oplossen en zorgen dat de temperatuur constant precies goed is om de kans op polymorfisme te verkleinen, kan een echte uitdaging zijn en kost tijd en inspanning om onder de knie te krijgen.
Goed nieuws: werken met paraffinewax neemt het merendeel van die problemen weg. Toch heeft ook paraffine zijn eigen uitdagingen om te overwinnen.
Laten we er een paar bekijken, en hoe je ze aanpakt! We beginnen met jump lines.

Jump lines
Jump lines (sprongringen) ontstaan doordat je hete wax in koude houders giet. Door dat temperatuurverschil hardt de wax uit op het moment dat hij de houder raakt & dat geeft zichtbare ringen aan de binnenkant van de houder.
De beste manier om die jump lines te voorkomen, is je houder tot 30-50 °C voor te warmen voordat je je waxmengsel giet.
De jump lines hebben geen invloed op hoe de kaarsen branden en zijn alleen in transparante houders te zien.
Jump lines oplossen

Inzakkende wax
Terwijl paraffinewax van vloeibaar naar vast afkoelt, krimpt hij, en omdat een kaars altijd van buiten naar binnen afkoelt, krimpt het midden van de kaars het meest. Daardoor blijft er een kuiltje in het midden van de kaars achter.
Er zijn twee belangrijke manieren om een ingezakte kaars te herstellen en hem een mooi glad oppervlak te geven.
Dit effect zie je ook bij stompkaarsen uit een mal en bij grote waxmelts. Het kan nodig zijn extra wax toe te voegen om die kuiltjes te vullen.
Methode met één giet
1. Giet je kaars zoals gewoonlijk
Giet je kaars bij een temperatuur van rond 60 °C in de houder. Wacht daarna tot de kaars afkoelt.
-
2. Maak de kaars klaar
Wanneer de kaars een kerntemperatuur van ongeveer 32 °C heeft bereikt (Gebruik een temperatuursonde om het midden van de kaars bij de lont te meten). Knip de lont af en haal het lonthulpje weg. Je kunt op dit moment ook een hulpje gebruiken om holtes in de wax te openen.
-
3. Smelt de wax aan het oppervlak
Smelt met een warmtebron van boven of een heteluchtpistool het oppervlak van de kaars voorzichtig opnieuw, zodat de vloeibare wax de kuiltjes kan vullen. Zodra er een volledige smeltplas is, haal je hem van de warmte en laat je hem op een vlakke ondergrond afkoelen voor een glad bovenvlak.
De methode met één giet werkt heel goed voor paraffinekaarsen, en vooral bij kleinere kaarsen en bij een paraffinemengsel dat niet sterk inzakt. Is je kaars groter of het kuiltje heel diep, dan geeft de tweede methode hieronder misschien een beter resultaat, zonder dat je overmatig veel warmte hoeft te gebruiken en zo mogelijk de lont beschadigt.
Methode met twee gieten
-
1. Giet het grootste deel van je waxmengsel
Bij deze methode giet je eerst maar 80-85% van je waxmengsel in de houder en laat je dat afkoelen. Houd de rest warm voor later.
Voor een kaars van 30cl en 220 g raden we 190 g voor de eerste giet aan, met 30 g om bij te vullen. -
2. Maak de kaarsen klaar
Wanneer de kaars een kerntemperatuur van ongeveer 32 °C heeft bereikt (Gebruik een temperatuursonde om het midden van de kaars bij de lont te meten). Je kunt op dit moment een hulpje gebruiken om holtes in de wax te openen. Je kunt het lonthulpje voor de volgende stap laten zitten of eraf halen.
3. Giet de resterende wax op de kaars
vul de holtes en kuiltjes voorzichtig met de resterende wax en laat daarna afkoelen. Zodra hij is uitgehard, knip je de lont af en kun je het oppervlak voorzichtig met een heteluchtpistool glad maken.

Bijvullijnen
Bij de methode met twee gieten zie je soms een lijn op de plek waar de extra wax is gegoten. Dat hoort geen invloed te hebben op hoe de kaars brandt, en gebruik je geen helder glas, dan is het geen probleem.

